Kronieken der Verbroken Tijden
Het epos der drie halfgoden in een stervende wereld
† † †
Want het is geschreven in de boeken van Tartarus:
de Wachters zullen ontwaken,
en de zonen der reuzen zullen oordelen brengen.
De Wereld der Verbroken Tijden
In de lage landen, waar een vestingstad zich kromt onder een hemel vol littekens, ligt het Omgekeerde. Een schaduwwereld, waar de oude molen aan de rand van de moerassen zijn wieken laat draaien als gebroken kruizen.
Daar, in de diepten van Tartarus, is de wereld der mensen versmolten met de afgronden der gevallenen. De muren van de katakomben zijn geen steen meer, maar wonden in de schepping zelf, en daar rinkelen de ketenen van de ouden, en fluisteren de echo's van de Nephilim nog na.
In die diepten hangen de Wachters: oude engelen, sinds vóór de val geketend in wil en oordeel. Hun macht is zo groot dat zelfs in gevangenschap de werkelijkheid om hen heen vaster staat dan elders in de Leegte.
Tegen ieder die hen wil bevrijden staat het leger van Sariël, oorlogsvorst onder de gevallen engelen, wiens soldaten in ijzeren laarzen door de duisternis marcheren om de laatste resten van de schepping te onderwerpen.
Het goud is vergeten; hemelijzer heeft zijn plaats ingenomen. Het metaal van de hemel, gevallen als meteoren, dat de werkelijkheid verstevigt waar het rust. Het fixeert paden in een doolhof dat verschuift, en het kan de wezens van de fase temmen, of verbranden.
Tegen de legioenen van een engel staan drie halfgoden.
De Drie van Verboden Bloed
Jezebel
Mens. Tovenares. Conjureur, wier ogen de sluier doorboren
Gezocht en gevaarlijk. Haar bezweringen zijn haar schild, haar geest haar wapen. Ze voelt een band met de geketende Wachters die ze zelf nog niet helemaal begrijpt; alsof haar verboden bloed hen herkent als verwant.
Jakobus
Mens. Rover van de verborgen paden
Onzichtbaar wanneer hij dat wil; eens per dag vervaagt hij tot niets, en die paar tellen zijn genoeg. Dodelijk wanneer de vijand hem niet ziet aankomen; zijn boog spreekt voor hem, zijn stilte zegt de rest. De werkelijkheid vertrouwt hij niet, en in de katakomben is dat wijsheid.
Hadewych
Mens. Krijgsvrouw, wier bloed zingt van oude reuzen
Sterk van arm en hart. Geen tegenkracht houdt stand tegen haar greep, en het grootzwaard is in haar handen een verlengstuk van haar wil. Ze staat vooraan, altijd. Dat is geen keuze maar haar aard. Toen de fase haar het zwaard ontnam, won ze het terug door te trainen tot het staal haar handen weer herkende.
In den Beginne
De dagen vóór de afdaling
De molen en de vloot
In de jaren dat de hemel begon te scheuren, vielen er stenen uit de lucht. Vurig kwamen de meteoren neer, en sloegen hun wonden in de aarde rond het vestingstadje en zijn begraafplaats. De mensen vreesden, en het garnizoen trok uit om de muren te bewaken, want het hemelvuur was gevaarlijk, en niemand wist wat het bracht.
In een burcht nabij verzamelden zich de magiërs. Zij bogen zich over de brokstukken, en bovenal over het hemelstaal dat was achtergebleven: het metaal dat niet van deze wereld was. Zij duidden de profetieën van de Ene Ware God, en zochten naar betekenis in de tekens aan de hemel.
In die dagen kwamen de drie samen in de taverne Het Dodenmaal, waar Marit van der Brug heerste over kroes en haard. Daar troffen ze Pastoor Hieronymus van Aalst en de Magistra Tyrza van Yven, een vrouw van meer dan zestig winters, wier woord zwaar woog. En aan de noordelijke poort van de burcht zagen ze een groene gloed, opstijgend uit de diepte als adem uit een geopend graf.
Er was een man, Johannes, die men de Dwaas noemde. Ooit had hij hemelijzer naar boven gebracht uit de diepten; daarna was hij niet meer gezien. Tot men hem vond, gevangen in de herberg, omdat hij brood had gestolen. Hij at gulzig van dat brood, en zijn toestand verergerde, en zijn tong sprak warrig: half in de taal van de lage landen, half in een oude, vreemde spraak die niemand verstond.
Toen rees de vraag: school er kwaad in het brood? Want hetzelfde brood dat de bakker dagelijks leverde, werd ook gebroken tijdens de mis en in de herberg. Pastoor Hieronymus hield vol dat het brood bijzonder was, maar onder zijn toezicht ongevaarlijk. Hij weigerde mee te werken, en dus namen ze zijn brood in beslag, zodat Magistra Tyrza het kon onderzoeken. En de bakker vluchtte in vlammen.
Maar voor ze verder konden, rezen de doden op. Het was het geslacht Van Trap, met Lukas van Trap voorop, ondood, en hongerig naar de levenden. Een gevecht ontbrandde tussen de graven, staal tegen been, tot de ondoden weer neervielen in de stilte waaruit ze gewekt waren.
Daarna droeg Tyrza de drie op om Johannes naar de begraafplaats te brengen en hem te ondervragen. Maar tien tellen kregen ze, want zijn geest was wankel. Jezebel betoverde hem, en hij sprak: onder de katakomben school een kracht, een macht die naar buiten wilde breken. Ooit was ze verzegeld geweest, maar het zegel was verbroken door de vallende ster.
Johannes was bang. In het ochtendgloren steeg een mist op uit de diepte, en hij werd onrustig, bevreesd om gevonden te worden door wat hem zocht. Terwijl Jezebel de omgeving in kaart probeerde te brengen, leidde hij hen door de gangen, en ze hoopten dat hij hen naar de molen zou voeren.
Ze bereikten de molen. En op de rivier daarachter zagen ze een vloot voor anker liggen. De schepen voerden de banier van Sariël, een van de zeven engelen, hij die alles deed om het onderzoek naar het hemelijzer te verhinderen.
Ze probeerden langs diplomatieke weg een vredesbestand met Sariëls leger te sluiten. De soldaten kwamen uit Brussel en Antwerpen, de hogere rangen uit het zuiden: de Pyreneeën, Zuid-Frankrijk. Maar de vrede kwam niet. Want de katakomben riepen, en de drie moesten afdalen.
Het Lied der Twee Legers
Het Scheuren der Aarde
Kroniek · Eerste
Anno, de 24ste dag der derde maand
De fasewezens
Diep in de kronkelende gangen van Tartarus, waar de krijttekens zich omkeerden en logen, volgden de drie het spoor van Sariëls krijgers. De katakomben waren oud op een manier die zelfs de aarde niet meer begreep. De werkelijkheid trok zich er samen, alsof twee werelden op hetzelfde punt probeerden te bestaan en geen van beide wilde wijken.
Ze vonden twee lijken, glad als was, zonder gezicht. Geen ogen, geen mond, alsof iets hun gelaat had weggewist als letters van een beschadigde bladzijde. En om hen heen dansten draden van statische duisternis, glitchend als scheuren in het weefsel van de schepping, knipperend in en uit het bestaan.
Jakobus sloop dichterbij, en zijn hand raakte een van de draden aan. Toen voelde hij een deel van zichzelf verdwijnen; niet een gedachte, maar een heel begrip. De kennis van eenvoudig brood en voorraad werd uit zijn geest gewist, alsof die dingen nooit hadden bestaan. En wat hij niet meer kende, hield op te zijn: zijn voorraad was leeg waar hij vol was geweest. Want wat de mens niet kent, bestaat niet.
Toen rees een gruwelijke spin op, geweven uit diezelfde fase-materie, en ze bewoog dwars door muren en werkelijkheid heen alsof die niets waren. Hadewych hief haar grootzwaard en trof het beest, maar de aanraking stal haar de herinnering aan de wapenhand. Het zwaard woog plots als een berg in haar greep, zo vreemd als gereedschap uit een ander leven. De spin trok zich terug door de muur.
De draden die het pad versperden losten op, en daarachter klonken panische stemmen. Drie soldaten zaten gevangen bij een afgrond, omstrengeld door meer van de vreemde draden. Om de wapenloze Hadewych te helpen, zong Jezebel een bezwering en betoverde een van de radeloze soldaten, zodat hij zijn speer afstond in de waan dat het zijn eigen keuze was.
En toen het wezen terugkeerde voor de genadeslag, schoot Jakobus met zijn boog een pijl van uiterste kracht, alsof de wereld zelf zijn dood verlangde. De spin viel uiteen in stille schittering. De draden vergingen, en de soldaten waren vrij. In het puin vonden ze een half voltooid harnas van hemelijzer, vijfenzestig stukken waard, en namen het mee.
Kroniek · Tweede
Anno, de 14de dag der vierde maand
De Grote Wachter
De katakomben brokkelden af, en er verschenen gaten in de werkelijkheid waar een wezen zich met de ruimte zelf had gevoed. De oude merktekens van de drie waren verdwenen, en het doolhof had zich verlegd. Daarom tekenden ze hun nieuwe pad met driehoeken, vastgezet in hemelijzer-krijt, zodat het labyrint hun weg niet zo makkelijk kon wegnemen.
Ze kwamen bij een geweldige poort, die opende naar een immense holte. In het hart van de leegte hing Hij: een Wachter, kolossaal en menselijk van vorm, geketend aan schakels zo dik als boomstammen, de armen geheven als in eeuwige smeekbede, of in kruisiging. Zijn lichaam was bedekt met de krijttekens van iedereen die hem ooit had gevonden: tekens van vluchtelingen, van soldaten, en, onverklaarbaar, ook de driehoeken die de drie zojuist op de muren hadden getekend.
Jezebel voelde de band trekken in haar borst, een herkenning ouder dan haar eigen naam. Ze sprak de woorden van Misty Step en verscheen op het hoofd van de Wachter. Met bevende hand tekende ze op zijn slaap het symbool van bevrijding: niet gevangen, niet gebonden, maar geopend. En als levende dingen maakten alle krijttekens zich los van zijn lichaam en vlogen door de gangen, terug naar hun oorsprong. De weg herstelde zich.
Maar de daad wekte een zwerm kleinere fase-spinnen, zo groot als katten en hongerig, die langs de ketenen omlaag kropen. Op de geweldige schakels, elk zo groot als een poortdeur, ontbrandde een wanhopige strijd. Hadewych hield de achterhoede met de geleende speer. Geen spin die zich aan de keten vastklampte kon haar greep weerstaan; de een na de ander wrikte ze los en wierp ze de afgrond in. Jakobus gaf dekking met zijn boog. Jezebel sprak de slaapspreuk, maar de wezens waren te machtig, en haar bezwering raakte hun geest niet eens.
Ze bereikten een poort van illusie aan het einde van de keten, en volgden de herstelde merktekens terug naar de veiligheid van de herberg. Daar vierden ze feest in duistere vreugde, en deden ervaring op in de schaduw van de komende storm. Jezebel werd wakker met een hoofd als gebarsten steen, maar met een helderder begrip van de wereld en de wezens die erin gevangen lagen. Jakobus en Hadewych werden wakker in de goot, lichter van beurs maar zwaarder van geest.
Kroniek · Derde
Anno, de 6de dag der vijfde maand
Het kamp van Sariël
Een week duurde het voor Hadewych hersteld was van de realiteitsziekte, die haar de wapenhand had ontstolen. In een leerkamp aan de rand van het vestingstadje won ze terug wat de spin haar had ontnomen: hoe staal in de handen hoort te liggen, hoe de benen vanzelf bewegen. Want spiergeheugen is een vorm van geloof, en ze oefende het opnieuw tot het terugkeerde.
Daarna volgden de drie Sariëls legers, die de fase-spinnen tot wapens wilden temmen. Langs zware laarzenafdrukken, die op een worsteling wezen, kwamen ze bij een soldaat die alleen werkte. Hij hield een brok ruw hemelijzer als lokaas voor een kleine fase-spin, die er als betoverd op afliep.
Hadewych naderde hem en nam zijn zuidelijke tongval over, breed en militair, en overtuigde hem dat ze bij een geheime elite-eenheid hoorde. De soldaat sprak, en verraadde een belangrijk geheim: wie touwen met hemelijzer-poeder bestrijkt en een welbewust ritueel uitspreekt, maakt de fase-spinnen passief en bindbaar.
Terwijl Hadewych de informant bezighield, riep Jakobus zijn ene gave van de dag op en vervaagde tot niets. En Jezebel sprak Misty Step en verscheen achter twee wachters, die niet zagen wat hen overkwam. Ze werden neergeslagen, hun lichamen verborgen in een crypte, en de drie trokken de wapenrusting van de soldaten aan om dieper het kamp in te dringen.
In de pens vonden ze dozijnen fase-spinnen, gekooid achter tralies versterkt met hemelijzer. Een soldaat pochte dat het nog maar enkele dagen zou duren voor hun aantal volstond voor een grote aanval. De drie wisselden een blik. Geen woord was nodig.
Ze strooiden hemelijzer-poeder over alle kooien. Jakobus stak een fakkel aan, en sprak de rijmspreuk met een stem die hij niet als de zijne herkende, maar die de katakomben wél kenden:
Hemelijzer, geef mij kracht,
deze wezens te sterven deze nacht.
De vuurzee was neongroen, en maakte geen geluid dat oren kennen. Toen de stilte terugkeerde, hoorden ze de voetstappen al: tientallen, gepantserd, snel. Het hele leger was wakker.
Kroniek · Vierde
Anno, de 3de dag der zesde maand
De Leviathan
Ze grepen emmers en deden alsof ze bluswerk verrichtten, terwijl Sariëls soldaten kwamen om de neongroene vuurzee te onderzoeken. Niemand vroeg iets, want iedereen had het te druk met overleven. Maar onder de verkoolde karkassen van de spinnen begon de grond te trillen, en daarna te smelten. De werkelijkheid zelf, het steen, de mortel, de lucht ertussen, loste op alsof ze nooit had bestaan. Een priester van Sariël betrad de zaal en riep tot evacuatie, maar te laat.
De vloer gaf weg, en allen stortten naar beneden, de drie en hun vijanden samen, in de vloeibare leegte waar de tunnels waren geweest. In paniek greep Jezebel de mantel van de priester. Haar greep faalde; haar vingers gleden weg langs de natte stof en vonden geen houvast. Maar de priester vergiste zich: hij zag een radeloze soldaat, en trok haar omhoog, gedachteloos, zoals je doet wanneer iemand naast je verdrinkt. En Jakobus wierp zijn touw, dat Hadewych vond in de duisternis en haar van het zinken redde.
Boven hen loste het plafond op, en onthulde een donkere, stormachtige hemel. En toen: ze waren in zee. Golven zo hoog als muren, en de geur van iets dat uit de diepte oprees. Ze zwommen naar een rots, een eilandje nauwelijks groot genoeg voor hen allen, waar de priester een magisch vuur had ontstoken. En terwijl ze zwommen, brak een kolossale leviathan door het wateroppervlak, en cirkelde om hen heen met de trage zekerheid van iets dat zich nooit hoeft te haasten, groot als een oordeel.
Op de rots waren de overlevende soldaten doodsbang, en stelden al hun hoop op de priester, die vurig in het Latijn bad tot de oorlogsengel Sariël. Om hem te helpen trad Jakobus naderbij en strooide hemelijzer-poeder in een stille cirkel om hem heen, zodat de kracht van het gebed versterkt werd, gefocust en naar boven gezonden als een baken dat alleen de hemel kan lezen.
En de hemel scheurde open. Een stralende gestalte verscheen, menselijk van vorm maar verblindend om te zien. De leviathan zonk weg zonder geluid. De oceaan verdween. En ze stonden weer in de katakomben, doorweekt, de stenen koud en echt onder hun voeten.
De priester gloeide nog van Sariëls licht, en hij doorzag hen, de drie vermomde vijanden, en wist dat ze logen. Jakobus probeerde hun goede bedoelingen uit te leggen, het herstel van de werkelijkheid, maar de priester eiste dat ze al hun hemelijzer zouden afstaan en het leger zouden helpen bij het vernietigen van de Wachters. Trouw aan hun eigen missie en hun geweten, weigerden de drie.
Toen, met het laatste restje van de goddelijke aanwezigheid, eerde de priester een eerder gedane belofte en liet hen veilig gaan. Maar voordat hij van uitputting ineenzakte, verklaarde hij plechtig:
"De volgende maal dat wij elkander zien,
zijn wij vijanden."
Kroniek · Vijfde
Anno, de laatste dag der zesde maand
Het Distelmoeras
Toen de drie terugkeerden naar Gravenwaarts, herkenden ze de stad niet meer. Waar eens droge grond en steen waren geweest, lag nu een moeras, en het zwarte water stond tot aan de voet van de muren. De grachten en de wallen waren overwoekerd door reusachtige distels, dik als een mensenarm, met stekels die het licht leken te verslinden. Commandant Van Helden riep de drie tot zich en gaf hun een taak: ruim dit onkruid, opdat de kanonnen geplaatst kunnen worden. Want het leger van Sariël naderde, en zonder vrij schootsveld zou Gravenwaarts vallen.
Hadewych ging voorop, zoals altijd. Ze hief haar grootzwaard en dreef het door een distel zo dik als een dij. Maar toen de plant openspleet, welde er zwarte gal uit op, en het moeraswater begon te borrelen alsof het kookte. Uit de diepte rees een gedrocht: een moerastrol, groen en glibberig, bedekt met zwammen en algen, en zijn ogen waren vol haat. Het staarde de drie aan, en het water droop van zijn schouders als olie.
Jezebel sprak een bezwering, en rondom haar verschenen spiegelbeelden van haarzelf, valse gestalten om de slagen van het beest op te vangen. Jakobus verdween in de schaduw en liet zijn boog spreken; zijn pijl trof doel met verwoestende kracht, want de trol zag hem niet aankomen. Maar het gedrocht sloeg terug, greep Hadewych met zijn klauwen en beet haar, en haar bloed vloeide tot ze nog nauwelijks op de been bleef. Toen sprak Jezebel opnieuw, en een pijl van pure magie schoot recht in het oog van de trol. En Jakobus, kalm te midden van het tumult, plaatste een laatste, volmaakte pijl. Het beest zonk terug in het moeras, en waar het verdween dreef een leren zak naar boven, met daarin een licht beschadigde strijdbijl, negen hemelijzer waard.
De drie begrepen dat er meer trollen in het water school. En ze vatten een koen plan op: vang er een levend, om te leren wat deze wezens waren die de werkelijkheid verslonden, of om ze te keren tegen Sariëls leger. Ze zochten Pastoor Hieronymus van Aalst, die maar al te graag een touw zegende met hemelijzer-poeder, opdat het de macht kreeg om moeraswezens te binden. En Jakobus vatte terstond een kinderlijke liefde op voor het betoverde touw, en noemde het, trots als een jongen met zijn eerste zwaard, De Trollenvanger.
Ze volgden verse trollensporen naar een ravelijn, een versterkt eiland in het moeras, en zetten daar hun val. Toen een volgende trol, kolossaal, door het water naderde, sprak Jezebel Misty Step en verscheen boven op zijn kop, en wond het touw bliksemsnel om het beest. Toen greep Hadewych De Trollenvanger, en met al de kracht die in haar was trok ze de strik strak. Geen tegenkracht hield stand tegen haar greep; de reus sloeg tegen de grond, gevangen.
Maar de gevangen trol slaakte een oorverdovende schreeuw om hulp, en uit het moeras antwoordden andere trollen. De drie sleepten hun spartelende buit als een hond aan de lijn naar de veiligheid van de stadsmuren, terwijl de andere gedrochten hen achtervolgden. En omdat de wezens het vuur vreesden, klom Jezebel op de kop van de gevangene met een brandende toorts om hem in bedwang te houden, en de drie schreeuwden naar de soldaten vooruit: maak brandende pijlen gereed, en fakkels, en vuur.
De soldaten wierpen een muur van vuur op, en de achtervolgende trollen deinsden terug in het moeras. Zo brachten de drie hun gevangene binnen en dwongen hem in een houten kooi. En in de klauw van het beest vonden ze een gaaf harnas van zwart leer, tien hemelijzer waard. Zo eindigde de dag dat de distels van Gravenwaarts vielen, en de eerste trol levend werd gevangen.
De kronieken van Tartarus zijn nog niet voltooid.
De Wachters roepen nog. De molen draait trager,
zijn schaduw wijst naar de afgrond.
Sariëls legers verzamelen zich. De hemel wordt dunner.
Wordt vervolgd …